Overeenkomsten tussen de dialecten binnen onze gemeente

In de gemeente Sittard-Geleen worden veel verschillende dialecten gesproken. Ondanks onderlinge verschillen zijn ze toch alle varianten van de streektaal Limburgs. Dat betekent enerzijds dat er als variant sprake is van verschillen, maar dat er ook grote overeenkomsten zijn, gezien hun gemeenschappelijke basis.

Zonder volledig te willen zijn, vindt u hieronder een overzicht van de kenmerkende overeenkomsten tussen de dialecten in onze gemeente.

Overzicht overeenkomsten

Naast de bekende verschillen in de oppervlaktestructuur van de dialecten zijn er duidelijk grote overeenkomsten die betrekking hebben op de dieptestructuur.

1. -ij wordt -ie

In alle dialecten wordt de -ij- (in feite een combinatie van i + j) gerealiseerd volgens de oorspronkelijke uitspraak als -ie-: pijp > piep; schrijven > sjrieve; knijpen > kniepe.

2. Stoottoon en sleeptoon

In alle dialecten is er sprake van de tegenstelling stoottoon ( \ ) – sleeptoon ( ~ ). Hierbij wordt een klinker “kort” (stoottoon) dan wel “golvend” (sleeptoon) uitgesproken met betekenisverschil als gevolg.

3. Woordgeslacht

Ook is er sprake van een duidelijke genera-indeling (woordgeslacht) bij de de-woorden:

die mandae man
die vrouwdie vrouw
een maneine man
een vrouwein vrouw
de man die…de man dae…
de vrouw die…de vrouw die…

4. Het wederkerig voornaamwoord ‘elkaar’ ontbreekt

Ook ontbreekt het wederkerig voornaamwoord ‘elkaar’. Dit wordt op verschillende manieren vervangen, onder meer door het wederkerende voornaamwoord zich (in al zijn vormen):

Ze zien elkaar Ze zeen zich
We groeten elkaarVeer groete(n) ós
We praten met elkaarVeer kalle mit ein

5. West-Germaanse umlaut

Ook is de invloed van de West-Germaanse umlaut (=omvorming van klinker) duidelijk merkbaar. (Lees verder in vijf specifieke kenmerken)

6. Vervoeging van het werkwoord

a. Het West-Germaanse gerundium: de stam van het werkwoord wordt gevolgd door -entaere-:

  • loupe – loupentaere (al lopend)
  • zènge – zèngentaere (al zingend)

b. Het dialect heeft duidelijk meer wederkerende werkwoorden dan de standaardtaal:

  • ich gaon mich get aete (ik ga wat eten)
  • hae baet zich (hij bidt)

c. Bij vervoeging in zowel de tegenwoordige als verleden tijd eindigt het werkwoord bij de tweede persoon enkelvoud (doe=jij) op -s-:

  • doe löps
  • doe wirks
  • doe koums/kaoms
  • doe sjpeeldes

d. De vervoeging van het zwakke werkwoord in de verleden tijd eindigt op -de, ook in die gevallen waar in het Nederlands -te(n) staat:

  • hij wandelde – hae wanjelde
  • hij werkte – hae wirkde
  • zij lachten – zie lachde

e. Er treedt klinkerverandering (=umlautwerking) op bij vervoeging van sterke werkwoorden in de tegenwoordige tijd bij de tweede en derde persoon enkelvoud (doe en hae, zie) Vergelijk:

  • Ik loop-jij loopt-hij loopt > ich loup-doe löps-hae löp
  • Ik val-jij valt-hij valt > ich val-doe vils-hae vilt
  • Ik kruip-jij kruipt-hij kruipt > ich kroep-doe krups-hae krup

Oost-Limburgs

Onze dialecten horen taalkundig gezien bij het Oost-Limburgs. Het Oost-Limburgs vormt in de provincie Nederlands Limburg het grootste deel van het Limburgse taalgebied.

De Oost-Limburgse dialecten kenmerken zich onder meer door het feit dat zij bij de medeklinkercombinaties sp-, st-, sl-, sm-, sn- en zw- aan het begin van het woord een sj-klank gebruiken: sjpele (spelen), sjtrikke (breien), sjlaope (slapen), sjmere (smeren), sjnavel (snavel) en zjwart (zwart).

Meer westelijk, bijvoorbeeld in Maastricht, worden deze woorden ‘gewoon’ op zijn Nederlands uitgesproken. Deze grens wordt ook wel de Panninger lijn (of Panninger Linie) genoemd. Een groot deel van de Oost-Limburgse dialecten wordt verder gekenmerkt door de zogeheten mouillering, een verzachting. Daarbij wordt de medeklinkercombinatie -nd uitgesproken als -nj of -ndj. In beide dialecten spreekt men dus niet van vinden en kinderen, maar van vènje en kènjer, van manj en hóndj voor mand en hond.

Sittardse diftongering

Het dialect van Sittard wordt bovendien gekenmerkt door een klankverschijnsel dat in geen enkel ander Limburgs dialect voorkomt. In de taalkunde wordt het ‘Sittardse diftongering’ genoemd, een klankwet uit de 14e eeuw. Een diftong is een tweeklank, bijvoorbeeld ei, ou of ui. Tegenover de diftong staat de monoftong, de eenklank, zoals ee, oo of eu.

Kort samengevat kan men zeggen, dat de Sittardse diftongering bestaat uit het feit dat men, onder bepaalde voorwaarden, een gedeelte van de monoftongen ee, oo en eu in het dialect van Sittard uitspreekt als ei, ou en ui. In het bekende spotzinnetje ’r zit mit veier pöt beier en e koffiekuikske/ kaffeekuikske in ‘n huikske zitten een aantal van die gevallen.

Het gevolg van de taalregel is dat het Sittards duidelijk meer dalende tweeklanken kent dan andere dialecten in onze gemeente. Andere dialecten daarentegen kennen naast de gewone dalende tweeklanken óók stijgende tweeklanken, een verschijnsel dat in het Sittards volledig ontbreekt. Voorbeelden hiervan zijn woorden als heër, sjoal, greuëtsj. In het Sittards: heer, sjool, greutsj (Nederlands: heer, school en groots/trots)

De Limburgse streektaal kent een groot aantal woorden, zegswijzen en begrippen die in het Nederlands niet voorkomen. Maar ook in de Limburgse dialecten bestaan woorden die kenmerkend zijn voor net dat ene dialect. Hieronder volgt zo’n rijtje woorden uit zowel het Geleens als het Sittards dialect:

  • krómbrood: halvemaanvormig, van tarwemeel gebakken broodje
  • laammake: iemand in de maling nemen
  • laammaekesj: bijnaam van de Sittardenaren
  • sjirveldeig: bladerdeeg
  • ram: volledig, helemaal
  • kepsj: platzak

Verschillen

Behalve overeenkomsten kennen de dialecten in onze gemeente ook verschillen.